Ouders van een vermoord kind

Over ons

Voorstelling van de vzw “Ouders van een vermoord kind”

De vzw “Ouders van een vermoord kind” is een ondersteunde zelfhulpgroep voor ouders wiens kind vermoord werd.

De vzw werd in 1989 opgericht door een samenwerking tussen de ouders van een vermoord kind en de hulpverleners van de dienst slachtofferhulp in Leuven. De ouders hadden nood aan steun en troost en hoopten dit bij elkaar te vinden.

Vaak is het namelijk zo dat ouders van een vermoord kind in het begin meestal steun krijgen van hun naaste omgeving.
Na verloop van tijd valt deze steun echter weg doordat velen geen begrip meer kunnen opbrengen voor het immense verdriet van de ouders.

Wie een kind verliest moet een lang verwerkingsproces doorgaan dat zeer veel energie vraagt.
Daarnaast beheerst de gerechtelijke afhandeling de eerste jaren het leven van de ouders, waardoor de meeste mensen in deze periode moeilijk aan rouwen toekomen.

Het is daarom in functie van de verwerking ook zeer belangrijk dat ze terecht kunnen bij lotgenoten.

De vzw “Ouders van een vermoord kind” werd erkend als autonome vrijwilligersorganisatie door de Vlaamse minister van Cultuur,
Gezin en Welzijn.

De doelstellingen van de vzw zijn:

  • Individuele ondersteuning en begeleiding verlenen
  • het contact met lotgenoten bevorderen
  • elkaar steunen, begrijpen en moed geven tijdens praatavonden
  • informatie en raad geven rond de gerechtelijke afhandeling, bijvoorbeeld rond de burgerlijke partijstelling, de inzage van het dossier,
    de financiële tussenkomst, …
  • ouders begeleiden en steunen tijdens het proces
  • ijveren voor de erkenning van het slachtoffer en het voorkomen van secundaire victimisatie
  • de aandacht van de overheid en de publieke opinie vestigen op de problematiek
  • de rechten van het slachtoffer verdedigen

Iedereen, wiens kind vermoord werd, kan terecht bij de vzw. Er kan ook een doorverwijzing gebeuren via de politie of de justitieassistente.

De hulpvraag van de ouders is verschillend en is gedurende de jaren sterk veranderd. Vroeger kwamen slachtoffers sneller in contact met deze dienst, omdat de aanpak van de betrokken diensten, onder andere politie en justitie niet aangepast was aan slachtoffers. De ouders kregen weinig informatie van de diensten met als gevolg dat ze bleven zitten met vele vragen rond het misdrijf. Vaak willen ouders alle details van het misdrijf willen weten. Vele instanties gaan hier echter niet vanuit. Omdat ze op dit vlak vaak niet gehoord werden, vroegen ze hulp aan de vzw “Ouders van een vermoord kind”. Gelukkig is er tegenwoordig enorm veel veranderd in de bejegening naar de slachtoffers toe. Het slachtoffer krijgt nu wel voldoende informatie over het misdrijf, waardoor we kunnen vaststellen dat de hulpvraag van personen die contact opnemen met de vzw anders is dan vroeger. Slachtoffers komen vaak pas een hele tijd na de feiten bij de vzw terecht, omdat ze nu in vergelijking met vroeger een betere begeleiding krijgen bij de politiediensten. Mensen komen nu voornamelijk voor praktische informatie bij de vzw terecht. Bijvoorbeeld : vragen rond de advocaat, vragen rond het verloop van het proces of de voorlopige invrijheidstelling, …
Daarnaast heeft de vzw steeds een belangrijke rol gespeeld in de rouwverwerking, wat dus nu nog steeds het geval is.

Enkele pijnlijke ervaringen.

Op 2 augustus 1998 kwam X (20 jaar) om in een gevecht.
Men ging er in deze zaak oorspronkelijk van uit dat het om een drugsdode ging.
De ouders van X waren er echter van overtuigd dat hun zoon geen drugs nam en dat het dus om een moord ging.

De politie ging er aanvankelijk van uit dat het om een overdosis drugs ging, hoewel uit de lijkschouwing bleek dat X in de dagen en uren voor de feiten geen drank of drugs gebruikt had.
De politie en het gerecht wilden niet geloven dat X was vermoord.

De ouders van X legden zich echter niet bij de vaststellingen neer en bleven aandringen om de zaak grondiger te onderzoeken.
Ze dienden een jaar na de feiten klacht in tegen het verloop van het onderzoek.

Op dat moment werd er een andere onderzoeksrechter en een andere rechercheur aangesteld.
Toen werden de ouders pas serieus genomen.

Het lichaam van X werd opgegraven maar de autopsie leverde geen harde bewijzen van geweldpleging.
Op vraag van de advocaat van de dader werd een verder onderzoek uitgevoerd naar eventuele geweldsporen op de hals van X.
Deze opgraving was een gebeurtenis waar de ouders van X het eveneens heel moeilijk mee hadden.
Het lichaam zou gecremeerd worden na de autopsie maar het parket besloot toch de halswervels achter te houden.
Daar zou dan een autopsie op gedaan worden.
Zo kon de onderzoeksrechter nagaan of de verwondingen op de hals overeenstemmen met de verklaringen van de dader.
Uit de autopsie bleek dat X vermoord werd.

Toen biechtte de dader op dat ze een gevecht hadden gehad.
Hij had X een duw gegeven waardoor deze laatste was gevallen. De dader liet uitschijnen dat het eerder een ongeval was dan een moord.
De dader was vlak na de feiten naar Zwitserland gevlucht.

Daar werd hij nauwelijks verontrust omdat de zaak oorspronkelijk geklasseerd was als drugdode.
Pas twee jaar na de feiten werd hij aangehouden.

Het werd geen Assisen men vond de aanklacht tegen de dader te licht, waardoor hij werd doorverwezen naar de correctionele rechtbank.
Daar werd hij veroordeeld tot drie jaar cel, waarvan één jaar effectief wegens opzettelijke slagen en verwondingen
zonder het oogmerk te doden.

De dader stapte echter als een vrij man het gerechtsgebouw uit. De ouders van X hadden het hier heel moeilijk mee.

Een ander voorbeeld:

Zo gebeurde het ook dat de ouders van X niet bij de wedersamenstelling mochten zijn maar de grootmoeder van de dader wel.
Dit was een zeer pijnlijke ervaring voor de ouders van X.

Wij hebben er bewust voor gekozen om een casus te kiezen waar secundaire victimisering in voorkomt,
aangezien we een duidelijk voorbeeld willen geven om aan te tonen waar het allemaal mis kan lopen.
We moeten hierbij duidelijk vermelden dat niet alle slachtoffers van een misdaad te maken hebben met secundaire victimisering.

Om dit aan te tonen, geven we in bijlage een voorbeeld weer van een zaak zonder secundaire victimisering.

Secundaire victimisering.

Bij zaken die voorkomen in de correctionele rechtbank is er het meeste sprake van secundaire victimisatie, hier gebeuren de meeste fouten.
Wanneer de ouders moeten voorkomen in de correctionele rechtbank kunnen we verschillende vormen van secundaire victimisering
aanhalen: zittingen die uitgesteld worden zonder slachtoffers te verwittigen,
ouders die niets te zeggen hebben en die niet worden voorgesteld in de zitting,
ouders en familie van het kind die geen zitplaats hebben omdat deze niet voorbehouden zijn , ….

De zaken die in het hof van assisen voorkomen verlopen veel beter.
Dit zijn namelijk zaken die zeer nauw worden opgevolgd door de pers.
De media fungeert hier als een drukkingsgroep ten aanzien van het gerecht, een soort “pottenkijker”,
waardoor de kans op secundaire victimisatie verkleint.

In bepaalde assisenzaken zijn er bijvoorbeeld wel plaatsen voorbehouden voor de ouders en mogen de ouders wel iets zeggen, …
In een assisenzaak legt de voorzitter het verloop van de zaak ook op een zeer duidelijke manier uit, waardoor zowel het slachtoffer,
als de dader als de getuigen op de hoogte zijn van wat er precies gaat gebeuren.

  • De dader mag kiezen in welke taal het proces doorgaat.
    Wanneer de dader dus Franstalig is, kan hij ervoor kiezen dat het proces doorgaat in het Frans.
    Dit “taalprobleem” blijft een struikelblok, zelfs in de gevallen waar er een tolk wordt ingeschakeld.
    Want door de inschakeling van een tolk gaan vele emoties die bij getuigenissen naar voren komen, verloren.
  • Veel mensen die bij de vzw terecht komen, hebben vragen rond de voorwaardelijke invrijheidstelling.
    Ook hier moet je opletten voor secundaire victimisatie.
    Wanneer de commissie bijvoorbeeld omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling voorkomt,
    mag het slachtoffer getuigen in het bijzijn van de dader.
    Als de dader daarna op zijn beurt aan het woord komt, moet het slachtoffer de ruimte verlaten.
    Ook zijn veel slachtoffers bang voor het moment dat hun dader vrijkomt.
    Sommigen hopen dat ze de voorwaardelijke invrijheidstelling ongedaan kunnen maken.
  • Advocaten kunnen ook secundair victimiseren, vooral de advocaat van de tegenpartij.
    De advocaat van de tegenpartij kan het slachtoffer zeer sterk afbreken.
    Zo was er bijvoorbeeld een advocaat die aan de kant van het slachtoffer stond in de ene zaak en in een andere zaak,
    die later voorkwam, verdedigde hij de tegenpartij. Plots had hij niets goeds meer te zeggen over slachtoffers.
  • Een slachtoffer heeft nood aan duidelijke informatie, eerlijkheid, respect voor zijn gevoelens.
    Het is absoluut noodzakelijk dat de diensten hun beloftes nakomen ten opzichte van het slachtoffer.
    Dit zijn elementen die, wanneer ze niet gerespecteerd worden, kunnen leiden tot secundaire victimisatie.
    Ook de omgeving kan secundair victimiseren.
    Veel mensen weten bijvoorbeeld niet goed wat ze tegen het slachtoffer moeten zeggen en draaien hem dus zomaar hun rug toe.

Positieve veranderingen ten opzichte van vroeger

Informatieverschaffing

Op vlak van informatieverschaffing is er ten opzichte van vroeger zeer veel veranderd.

Vroeger was er geen eenduidige informieverstrekking tussen de verschillende instanties waardoor er heel wat onzekerheid en onduidelijkheid
bij de ouders ontstond. De vzw “Ouders van een vermoord kind” was er al sterk mee bezig dit te verbeteren.
voor de zaak Dutroux al. De zaak Dutroux heeft hier voor versnelling gezorgd.

De manier waarop informatie wordt gegeven hangt sterk af van de ervaring en de opleiding van de persoon die de informatie geeft.

Zoals eerder vermeld verloopt de informatieverschaffing nu goed en de vzw krijgt hier geen of weinig klachten meer rond.

Justitieassistent(e)

Toen de vzw pas startte, was er nog geen vaste verbindingspersoon van justitie die de ouders informatie gaf over nieuwe feiten en hen op de hoogte hield van het verloop van het onderzoek. Deze is er ondertussen wel gekomen, namelijk de justitieassistent(e).
Hun taak was oorspronkelijk om diegenen te sensibiliseren die bij justitie werkten. Nu vangen zij vooral het slachtoffer op.

Dankzij de komst van de justitieassistent verbeterde het onthaal van slachtoffers.
Het slachtoffer is niet langer een nummer en wordt nu zeer goed begeleid.

De justitieassistenten kunnen ook uitleg geven rond het juridisch vakjargon en de weg die een slachtoffer moet afleggen gedurende de gerechtelijke afhandeling. De vzw heeft enkel goede ervaringen met de justitieassistent(e).

Politie

Op vlak van politie en onderzoekswerk worden de nabestaanden nu beter op de hoogte gebracht en ook gehouden in  vergelijking met vroeger.
Dit komt doordat de politie tegenwoordig vorming krijgt en gesensibiliseerd wordt.

De politie moet een slachtoffer de nodige informatie geven over andere diensten waar hij terecht kan.
Het is belangrijk dat de politie deze toelichtingen geeft zonder dat het slachtoffer de eerste stap moet zetten.

Media

Eerder bespraken we dat de media ook kan zorgen voor secundaire victimisatie.
Vroeger gebeurde het wel eens dat ouders van een vermoord kind nieuwe informatie kregen te horen via de pers, omdat de politie hen niet voldoende informatie gaf.

De media heeft nu meer respect gekregen voor het slachtoffer. Maar het kan nog beter.

Toch moet je nog steeds oppassen. Ouders kunnen bijvoorbeeld zeer geschokt zijn wanneer op de voorpagina van de krant een grote kop verschijnt voor de verdediging van dierenrechten en dat enkele pagina”s verder in een zeer klein artikel vermeld wordt dat hun zoon of dochter vermoord werd.

De media kan ook in de feiten overdrijven of er een eigen visie op geven.
Een voorbeeld hiervan is wanneer een prostituee, die ook drugs neemt vermoord wordt door vermoedelijk een klant.
In alle kranten verschijnt: “Heroinehoertje vermoord”.  Dit getuigt van weinig respect tegenover de nabestaanden van deze jonge vrouw.

Juridisch vlak

Op juridisch vlak zijn er de laatste jaren heel wat veranderingen gebeurd.

Ten eerst is er de wet Franchimont die onder andere het recht op informatie aan het slachtoffer verzekerd.
Door deze wet heeft het slachtoffer het recht om aan de onderzoeksrechter extra onderzoeksdagen te vragen.
Toch is het geen plicht van de onderzoeksrechter om hier op te antwoorden.

Daarnaast heeft het slachtoffer inzagerecht gekregen in zijn dossier.
Om op dit recht beroep te kunnen doen, moet het slachtoffer zich nog steeds burgerlijke partij stellen.

De ouders krijgen dan normaal gezien een aantal dagen waarop ze het dossier mogen gaan inzien bij de  onderzoeksrechter.
Tot en met 2002 kon je een kopie krijgen van het dossier aan rato 0,75 €‚¬ per blad. Sedert dit jaar is het normaal gezien gratis.

Tenslotte werd er gezorgd voor het recht om waardig afscheid te nemen.

Slachtoffer

Vroeger werd er weinig rekening gehouden met het slachtoffer. Nu wordt het slachtoffer gehoord. Dit is een zeer belangrijke verandering.

Knelpunten

Slachtofferzorg is zoals eerder aangehaald positief geëvolueerd.
Toch is er nog nood aan verbetering binnen de wetgeving en het strafrechtsysteem volgens de vzw.
We geven hieronder deze knelpunten weer.

  • Het slachtoffer krijgt maar drie dagen de tijd om het dossier in kijken bij de onderzoeksrechter.
    Het slachtoffer mag het dossier dus niet mee naar huis nemen. Dit is een regel die werd ingevoerd om misbruik tegen te gaan.
    De onderzoeksrechter beslist wanneer dit moet gebeuren. Er wordt dus geen rekening mee gehouden of het slachtoffer hier op dit moment
    wel klaar voor is. Het slachtoffer kan wel kopies nemen uit het dossier maar de kosten per bladzijde liggen zeer hoog (€ 0,75)
    eveneens om misbruik tegen te gaan. Toch wordt het slachtoffer hier weer benadeeld.
  • In alle rechtszaken kunnen we zeggen dat secundaire victimisering voorkomt doordat de administratie naar de slachtoffers toe veel te
    ingewikkeld is. Rechtskundige formulieren bevatten veel juridische termen waardoor het vaak niet duidelijk is voor het slachtoffer.
    Het is dus erg belangrijk dat hier in de toekomst oplossingen voor gezocht worden.
  • Zoals eerder vermeld kan het slachtoffer bijkomende onderzoeksdaden vragen aan de onderzoeksrechter.
    De onderzoeksrechter kan dit wel weigeren en hij hoeft niet te argumenteren waarom hij weigert.
  • Zoals eerder vermeld mag de dader erbij zijn wanneer het slachtoffer voor de commissie van de voorwaardelijke invrijheidstelling getuigt.
    Het slachtoffer mag er echter niet bij zijn wanneer de dader aan het woord komt. Dit is zeker verkeerd.
    Het zou voor het slachtoffer wel helpen om ook het verhaal van de dader te kunnen horen.
    Hopelijk wordt hier in de toekomst ook rekening mee gehouden.
  • Globaal gezien wordt de wet Francimont goed nageleefd, toch hebben slachtoffers het gevoel dat deze wet nog verbeterd moet worden,
    bijvoorbeeld het contact tussen slachtoffer en onderzoeksrechter.
    In de wet Franchimont wordt dit contact éénmalig aangewezen maar niet verplicht.
    Het is dus de keuze van de onderzoeksrechter of hij het slachtoffer ontvangt of niet.
    Daarnaast kan het slachtoffer het dossier pas inzien wanneer hij zich burgerlijk partij heeft gesteld.
    De ouders van een vermoord kind voelen dit aan als een ontkenning van hun ouderschap.
    Ze zouden daarom graag hebben dat dit inzagerecht automatisch geldt voor hen als ouder van het kind.
    Er is dus nood aan een verdere uitwerking van deze wet.
  • Zoals eerder vermeld is de taal binnen een rechtszaak nog steeds een struikelblok.
    Is het niet mogelijk dat de rechtszaak automatisch in de taal van het slachtoffer te laten verlopen wanneer de dader tweetalig is.
    De dader mag namelijk kiezen waar het proces doorgaat.
    Wanneer de dader dus Franstalig is, kan hij ervoor kiezen of het proces doorgaat in Mons of in Brussel.
    Franstalige daders kiezen dan vaak voor Mons en dit kan zeer nadelig zijn voor het slachtoffer.
    Als het slachtoffer dan ook Frans spreekt, is er geen probleem wat taal betreft maar wel wanneer het slachtoffer in dat geval Nederlandstalig is.
  • In België zijn het justitiehuis en het justitiepaleis niet in hetzelfde gebouw.
    Daarnaast gebeurt het dat deze zich vaak niet dicht bij elkaar bevinden.
    De justitieassistent(e) zit in het justitiehuis, waar zich voornamelijk het administratieve afspeelt, waardoor het slachtoffer hier eigenlijk nooit moet zijn (buiten voor de justitieassistent(e)).
    Het slachtoffer moet wel vaak in het justitiepaleis zijn, waardoor het handiger zou zijn voor het slachtoffer als de justitieassistent(e) daar ook zou zitten. Het is namelijk enorm vervelend voor het slachtoffer wanneer justitiehuis en justitiepaleis ver van elkaar verwijderd zijn, waardoor het slachtoffer tussen beiden zou moeten pendelen. Toch is dit niet overal in België zo.
    In sommige steden liggen het justitiehuis en het justitiepaleis naast elkaar, waardoor het geen problemen oplevert voor het slachtoffer.

Bedenkingen

Informatieverschaffing

Bij de informatieverschaffing moet er rekening worden gehouden met de shocktoestand waarin slachtoffers en nabestaanden kunnen verkeren.
Vaak is het zo dat bijvoorbeeld ouders in shock soms vergeten dat ze reeds informatie gekregen hebben.
Pas later, wanneer ze alle details terug overlopen, herinneren ze zich dat ze de informatie wel hebben gekregen.

Ouders van een vermoord kind zijn vaak gefixeerd op details: ze willen alles weten.
Het is daarom van cruciaal belang dat een “slechte  nieuwsmelding” op een goede manier verloopt.
Ten eerste moet je hen uitleggen dat hun kind dood is, pas daarna vertel je dat het vermoord werd.
Het is ook belangrijk dat je hier de nodige uitleg bij geeft. Vervolgens moet je informatie geven, zoals bijvoorbeeld wat er met het lichaam gaat gebeuren, Tenslotte maak je ruimte om te antwoorden op de vragen van de ouders.

Het is ook belangrijk dat de ouders de foto”s van de wedersamenstelling te zien krijgen, indien ze dit willen.
Vroeger mocht dit niet. Toch is het belangrijk omdat ouders er nood aan hebben om alle details te weten in functie van hun verwerking.

Globaal gezien krijgt het slachtoffer tegenwoordig voldoende informatie. Toch zijn er nog enkele ouders die soms met vragen blijven zitten.
Doordat ouders zich vragen blijven stellen, kunnen ze voor zichzelf het verhaal proberen te reconstrueren om daarna na te gaan of hun reconstructie klopt met het dossier. Vaak valt het voor dat ouders op een assisenzaak nog zaken te horen krijgen die ze nooit eerder gehoord hebben (bijvoorbeeld van de getuigen) maar dit gaat daarom niet noodzakelijk om belangrijke elementen uit de zaak.

Herstelbemiddeling

Het is belangrijk dat er een goede begeleiding is bij de herstelbemiddeling.
Heel weinig mensen hebben nog contact met de dader.

Meestal is het een vrije keuze van het slachtoffer om aan herstelbemiddeling te doen maar sommigen zijn genoodzaakt om contact te hebben met hun dader. Bijvoorbeeld wanneer een man zijn vrouw vermoord, kan het zijn dat de kinderen bij de grootouders gaan wonen.
De grootouders zullen dan nog contact moeten hebben met de vader (dader) om na te gaan wat er met de kinderen gaat gebeuren als hij terug vrij komt.

Media

In ons theoretisch gedeelte bespraken we al dat de media kan zorgen voor secundaire victimisatie.
Vroeger gebeurde het wel eens dat de ouders van een vermoord kind nieuwe informatie te horen kregen via de pers,
omdat de politie hen niet voldoende informatie gaf.

Om secundaire victimisatie via de media zoveel mogelijk te vermijden raadt de vzw “ouders van er vermoord kind” aan om als ouder zelf een interview te geven, zodat de feiten niet verdraaid kunnen worden.
Het is daarnaast aangeraden om te vragen of je het artikel mag nalezen vooraleer het gepubliceerd wordt.

Tenslotte moeten we nog vermelden dat ook de politie hier een belangrijke rol in speelt.
De politie moet de juiste informatie doorgeven, schokkende dingen afschermen waardoor de pers er geen foto”s van kan nemen.

Politie

Doordat de politie tegenwoordig gesensibiliseerd wordt, krijgt het slachtoffer voldoende informatie over bij welke diensten hij terecht kan met zijn vragen. Dit gebeurt door de politie, het slachtoffer moet in principe dus niet de eerste stap zetten.

Het is belangrijk dat de politie een draaiboek als handleiding heeft waarin alles staat wat er gezegd moet worden tegen het slachtoffer gedurende de eerste dagen. Er moet bijvoorbeeld vermeld worden dat de politie zich de eerste 24 uren vooral toespitst op het vinden van de dader.
Het is belangrijk dat de ouders hiervan op de hoogte zijn.

Tenslotte kunnen we hierbij vermelden dat wanneer mensen goed opgevangen worden na de gebeurtenissen,
ze de eerste dagen geen vragen zullen stellen en er minder kans is dat secundaire victimisering later nog voorkomt.

Advies voor maatschappelijk werkers

  • Beloof als maatschappelijk werk(st)er niet dat je op een exact uur belt om informatie en dergelijke weer te geven.
    Als slachtoffer ga je op deze telefoon wachten en zal je kwaad en ontgoocheld zijn wanneer de maatschappelijk werker op dat bepaald ogenblik niet terugbelt. Hou je aan je beloftes en beloof niets als je niet weet of je het kunt nakomen.
  • Argumenteer altijd goed waarom het zo is en niet anders.Wees duidelijk en eerlijk in je uitleg en informatieverschaffing.
  • Het is handig als je als justitieassistent(e) een goed contact hebt met de onderzoeksrechter.
    Dit speelt in het voordeel van de ouders want hierdoor kan je het contact tussen hen en de onderzoeksrechter verbeteren.
    Niet alle justitieassistenten hebben een goed contact met de onderzoeksrechter, dit hangt namelijk ook af van de onderzoeksrechter waar je mee samenwerkt.
  • Neem je tijd wanneer je moeilijke details of moeilijke zaken moet uitleggen aan het slachtoffer.
  • Heb respect voor het slachtoffer.
  • Zorg ervoor dat je de slachtoffers benadert met de nodige tact en feeling.